architectuur
 
1919-1945


Tussen het eind van de 1e Wereldoorlog en de tweede helft van de jaren '30 gebeurde er in Nederland op het gebied van kazernebouw niets. Niemand in politiek Den Haag was bereid aan defensie veel geld uit te geven. Dit veranderde drastisch toen de situatie in Duitsland na de machtsovername door de nazi’s zich sterk wijzigde.

In hoog tempo begon iedereen in Europa zijn leger uit te breiden en te moderniseren. Nederland kon niet achterblijven en er werden grotere aantallen dienstplichtigen opgeroepen die langer geoefend werden. De bestaande kazernes hadden te weinig capaciteit om dit grotere leger te huisvesten en er werd een bouwprogramma gestart dat brak met de tot dan gevoerde praktijk.
Het grootste deel van de nieuwe kazernes was geen individueel ontwerp meer zoals voorheen, maar werd volgens een standaardontwerp gebouwd. In totaal werd er opdracht gegeven voor de bouw van zestien infanteriekazernes,acht kazernes voor de andere wapens en de uitbreiding van vijftien bestaande kazernes.
Kapitein der genie A.G. Boost kreeg opdracht voor het ontwerpen van de zestien infanteriekazernes bestemd voor de zogenaamde grensbataljons. In zeer korte tijd, eind 1937, begin 1938 werd onder leiding van Boost een grondplan voor twee types kazernes ontworpen, beide volgens het paviljoensysteem (zie voor uitleg van dit systeem architectuur 1874-1918).

Hoofdgebouw van de Johan van den Kornputkazerne.
 

Het eerste ontwerp was voor twaalf kazernes voor één bataljon infanterie. Dit type bestaat uit een hoofdgebouw met toegangspoort met daarachter een exercitieterrein, omgeven door drie legeringsgebouwen en een keukengebouw. In dit ontwerp, voor wat in feite een kleinere kazerne is, doet Boost concessies aan de functiescheiding die bij grotere kazernes volgens het paviljoensysteem gebruikelijk is. Dit waarschijnlijk uit kostenoogpunt. In het hoofdgebouw werden ondermeer ondergebracht: stafbureau, wacht met cellen, kantine en sportzaal. De grotere kazernes, ook die van Boost, hebben hiervoor aparte gebouwen.

Het tweede type was bestemd voor een regiment en wordt soms beschreven als afgeleid van het eerste type. Maar dat is bij nader inzien moeilijk vol te houden. Los van de kenmerken die dit type deelt met andere kazernes uit deze periode van andere ontwerpers, zijn er maar twee in het oog springende overeenkomsten met het eerste type van Boost. Deze zijn  het gebruik van hetzelfde type legeringsgebouw en de toegepaste bouwstijl. In plaats van een poortgebouw zoals bij het eerste type, zijn er drie losse gebouwen die beter gedetailleerd zijn en rijker uitgevoerd. Hetzelfde geldt ook voor het ketelhuis/keukengebouw in vergelijk met de aanzienlijk soberder variant op de bataljonskazernes.
Voor alle zestien kazernes gold dat van de basisplattegrond afgeweken werd als de vorm van het bouwkavel dit vereiste. De uiteindelijke vormgeving gebeurde onder verantwoording van de eerstaanwezend officier van de plaatselijke dienstkring der genie.

Privaatgebouw op de Palmkazerne.
 

Net als bij alle kazernes van en voor die tijd werden er uit hygiënische overwegingen toilet- en doucheruimtes in aparte gebouwen buiten de legeringsgebouwen geplaatst. Wel was er voor gebruik ’s-nachts een toiletvoorziening in de gebouwen, even als een waslokaal met wasbakken.
Pas in de jaren '60/'70 zouden, evenals bij alle andere vooroorlogse kazernes van de Landmacht, deze voorzieningen in de legeringsgebouwen geplaatst worden. In die tijd zouden ook de stapelbedden verdwijnen en de legeringskamers geschikt gemaakt worden om nog maar tien man te herbergen.
Ook werd lange tijd gegeten in aparte vertrekken op de kop van de legeringsgebouwen. Pas later zou een aparte manschappeneetzaal op de Boostkazernes verrijzen.

Een kanttekening past bij de standaardontwerpen voor de zestien Boostkazernes die bij nadere beschouwing toch niet zo standaard zijn. De eerste verschillen ontstaan doordat de plattegronden bepaald werden door het beschikbare kavel. Maar ook de U-vormige hoofd/poortgebouwen, dat op één kazerne niet U-vormig is, kennen verschillen. Er zijn verschillen in lengte van de voorgevel en in lengte en uitvoering van de poten van de U. Ook zijn er minstens drie andere variaties: poorten met een halfronde boog of doorgang met rechte latei en de verschillende uitvoeringen van de ramen boven en de kleine uitbouwtjes direct naast de poort. De vrijheid bestond voor de eerstaanwezend ingenieur om eigen variaties aan te brengen, die aansloten bij de plaatselijke bouwtraditie.
Ook de standaard legeringsgebouwen kennen door spiegeling twee varianten. Op meerdere kazernes is bij een deel van deze gebouwen de lengte aangepast. Nog meer verschillen ontstonden door variaties in kleuren metselsteen en ook zijn niet overal zwarte dakpannen toegepast, maar rode. Al deze verschillende mogelijkheden zorgden ervoor, dat geen van deze zestien kazernes gelijk is aan een andere.

De door Boost toegepaste stijl wordt omschreven als zakelijk-expressionistisch. Hierin vallen de kenmerken te herkennen van de Amsterdamse- en Delftse school en het Nieuwe Bouwen. De Nederlandse architectuur uit de vooroorlogse jaren kent diverse stromingen en is internationaal vermaard. De Amsterdamse School, beroemd vanwege zijn woningbouwprojecten, wordt ingedeeld bij de expressionistische stroming. De Delftse School zet zich hier tegen af, men greep terug op het rationalisme van Berlage. De schoonheid van een gebouw, aldus de opvattingen van de Delftse School, ligt in eenvoud en harmonie. Na de 2e Wereldoorlog vond deze stroming zijn hoogtepunt in de wederopbouw buiten de grote steden.

De Koning Willem I kazerne in Delftse Schoolstijl.
 

Hoewel de aanhangers van Amsterdamse- en Delftse School elkaars stijlopvatingen soms sterk kritiseerden, zijn er echter meer overeenkomsten dan verschillen tussen de beide stromingen. Deze zijn: comfortabele huiselijke schaal, mathematische proporties en met vakmanschap uitgevoerde baksteenbouw.
Vooral de Delftse Schoolstijl, die onder het bredere begrip traditionalisme valt (of wat smalend voor moderne huizen als retrostijl), is bij de meeste naoorlogse architecten niet erg geliefd. Echter veel woonhuizen uit de huidige tijd grijpen terug op de stijlkenmerken uit de jaren '30 en zijn populair bij een breed koperspubliek. Deze populariteit heeft ook onverwacht gunstige gevolgen voor kazernes in deze stijl na de afstoting. Projectontwikkelaars proberen elementen van deze kazernes te integreren in woningbouwprogramma's en de historische gebouwen zoveel mogelijk te sparen.
Een voorbeeld van de Delftse Schoolstijl in kazernebouw voor de 2e Wereldoorlog is de Koning Willem I kazerne in Den Bosch. Dit is één van de acht kazernes die voor de overige wapens in 1939/1940 gebouwd werden.

Na de 2e Wereldoorlog zouden veel kazernes aangepast worden. Was het gebruik van paarden al voor de 2e Wereldoorlog op zijn retour, na de oorlog zou motorisering en mechanisering een grote rol gaan spelen bij de Landmacht. Grote hoeveelheden voertuigen stroomden in waarvoor parkeerterreinen en (onderhouds-)garages aangelegd werden.
De kazernes voor één bataljon infanterie van Boost moesten nog op een andere manier aangepast worden. Die ene in/uitgang door de poort in het hoofdgebouw was niet praktisch voor al die voertuigen, die elkaar daar ook al niet passeren konden in verband met. de beperkte breedte. Ook uit veiligheidsoogpunt is het verstandiger een tweede in/uitgang te hebben, deze werden dan ook aangelegd.

De Duitse erfenis

Tijdens de 2e Wereldoorlog is er door de Duitse bezetter op grote schaal gebouwd in Nederland. Bij het grote publiek het meest bekend zijn de bunkers van de Atlantikwall. Maar dit is slechts een deel van het totaal. Het Nederlandse luchtruim was gevechtsterrein voor de Duitse- en geallieerde luchtmachten. Ten bate van de luchtoorlog versterkten de Duitsers bestaande vliegvelden, maar legden ook nieuwe aan. Een gaaf en tot heden bestaand voorbeeld van deze laatste categorie is het vliegveld Deelen, toen bekend als Fliegerhorst Deelen. Hier werden, goed gecamoufleerde, militaire gebouwen zoals werkplaatsen aangelegd die gebouwd waren in een wat de Duitsers beschouwden als een onopvallende en landelijke, boerderij-achtige stijl. Boerderijen met dikke betonnen muren en stalen luiken voor de ramen.

Deze stijl van bouwen wordt tot het modern traditionalisme gerekend, binnen deze stroming is de Stuttgarter Schule het  bekendst. Enkele kenmerken van deze stijl zijn: daken met schuine kappen en het gebruik van plaatselijke materialen zoals baksteen en hout. Het (Duitse) moderne traditionalisme heeft zowel qua opvattingen als gebruik van materialen grote overeenkomsten met het traditionalisme van de Delftse School. Het modern traditionalisme combineert  traditionele architectuur, gebaseerd op de Germaanse identiteit en cultuur, met moderne bouwwijzen.
Na de machtsovername in Duitsland door de nazi’s zouden deze op grond van enkele gedeelde culturele opvattingen het modern traditionalisme gretig omhelzen. Het was de associatie met het Derde Rijk waardoor deze bouwstijl nog lang na de oorlog het stempel foute architectuur droeg.

Hoofdgebouw op WGF-kazerne.
 

Een naargeestig voorbeeld van het modern traditionalisme is het concentratiekamp Vught. De barakken van het kamp zijn tot ver na de oorlog nog gebruikt voor huisvesting van Molukkers. De bijhorende kazerne voor de SS werd na de oorlog opgesplitst in de Bredero- en de Lunetttenkazerne. Vooral deze laatste kazerne is een opvallende verschijning, vier hoekvormige gebouwen zijn zodanig geplaatst dat ze een Duits kruis vormen.
In Den Haag in 1942 bouwden de Duitsers als onderdeel van de Festung Clingendael de Julianakazerne (huidige naam), uiteraard naar eigen ontwerp in de stijl van het modern traditionalisme.


Veel bekender is de ook nu nog door de genie gebruikte Prinses Margrietkazerne in Wezep waarvan de bouw startte in 1940 naar Duits ontwerp.
Het mag gerust opvallend heten, maar alle vier hier genoemde Duitse kazernes zijn nog in gebruik terwijl veel Nederlandse kazernes uit die jaren afgestoten zijn.

Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnen vielen was lang niet het hele kazernebouwprogramma uit 1937 gerealiseerd. Een aantal kazernes, zoals de Westenberg- en Saxen-Weimarkazerne, zou onder Duitse leiding volgens de oorspronkelijke plannen afgebouwd worden. Andere kazernes werden afgebouwd met gebouwen van Duits ontwerp. Het bekendste voorbeeld hiervan betreft de Willem George Frederikkazerne (WGF) in Harderwijk. Opvallend aan deze kazerne, maar dit geldt ook voor andere lokaties, is de architectonische rijkdom van de Duitse gebouwen met hun monumentale uitstraling. De bezetter leek uit te gaan van de stelling dat ze gekomen waren om niet meer te vertrekken.