architectuur
 
1874-1918
 
 

Kazernebouw in Nederland was in de 19e eeuw gebaseerd op Franse ideeën. Een kazerne bestond vaak uit een groot, massief aandoend gebouw geschikt voor massalegering. Ze waren meestal van het zogenaamde vierkante type met een geheel omsloten binnenplaats. De hygiënische omstandigheden lieten te wensen over, mede door de geringe toetreding van licht en lucht.

Om dit laatste te verbeteren werd vanaf 1874 vanuit Frankrijk het zogenaamde type du Genie, hier beter bekend als het lineaire type kazerne met achtervleugels, geïntroduceerd. Voorbeelden hiervan zijn de Chassékazerne in Breda en de Maurits- en JWF-kazerne in Ede.
Het lineaire type kenmerkt zich door een hoofdgebouw van meer dan 100 meter lang met meerdere bouwlagen. Aansluitend aan de achterzijde bevinden zich vier dwarsvleugels voor de legering van manschappen. Maar ook in dit type zijn de voorziening van daglicht en lucht niet optimaal door het plaatsen van houten afscheidingen in de dwarsvleugels, de te geringe afstand tussen de dwarsvleugels en ook door het overkappen ten bate van exercitie van de ruimte tussen de twee binnenste vleugels.

Het lineaire type hoofdgebouw zouden we nu als multifunctioneel omschrijven. Het hoofdgebouw bood plaats aan staf- en compagniesbureaus, wachtlokalen, kantines en uiteraard slaapgelegenheid voor soldaten, soms ook accommodatie voor enkele onderofficieren. Afhankelijk van de gebruiker voor wie de kazerne gebouwd was, werd de kazerne aangevuld met overige bebouwing. Manéges en stallen voor de cavalerie, maar ook bijvoorbeeld magazijnen.
Soldaten sliepen met velen op grote zalen waar ook gegeten moest worden. De verwarming geschiedde met kachels. Er is niet veel fantasie voor nodig om je in te beelden hoe het in deze gebouwen geroken moet hebben. Door het dicht op elkaar legeren van manschappen kreeg ook een gevreesde, besmettelijke ziekte als nekkramp een kans. In de gebouwen mocht overdag niet getoiletteerd worden, daartoe waren buitenprivaten. Voor ’s-nachts waren er nachtprivaten in de gebouwen. Wasvoorzieningen waren karig, wel was er een badhuis op de kazerne dat echter niet altijd open was.

Op een enkele uitzondering na zijn de in Nederland voorkomende lineaire kazernes in de voor die tijd voor overheidsgebouwen gebruikelijke neo-renaissancestijl gebouwd. Enkele kenmerken van deze stijl zijn: het gebruik van baksteen, geleed door horizontale banden in natuursteen of pleisterwerk, het gebruik van aanzet- en sluitstenen in ontlastingsbogen boven vensters. Ook kunnen decoraties worden toegepast zoals gekleurde tegeltjes of siermetselwerk.
Aanvankelijk was de neo-renaissance stijl vrij uitbundig, zoals de Chassékazerne met zijn torentjes laat zien. Aan het einde van de 19e eeuw, begin 20e eeuw versoberde deze stijl zich steeds verder.

De problemen met de slechte toetreding van licht en lucht werden wel opgelost met de bouw van het H-vormige type kazerne zoals de Arthur Koolkazerne uit 1906 in Ede. Het hoofdgebouw heeft een H-vormige plattegrond, waarvan de vleugels de appèlplaatsen omsluiten. In het tussenstuk bevonden zich wachtlokalen en cellen, in de vleugels legeringskamers en burelen.
Verder zijn er naast dit gebouw andere gebouwen zoals keuken, kantine, magazijnen en stallen. Nog steeds moest men van buitenprivaten gebruik maken en ook het badhuis was een standaard aanwezig kazernegebouw.

In dit kazernetype, waarvan er twee naast elkaar gebouwd zijn in Ede, is de aanzet naar het paviljoensysteem te herkennen. Deze twee kazernes zijn gebouwd in chaletstijl, die een afgeleide is van de Zwitserse chaletstijl. In deze stijl zijn in Nederland de kenmerken van de neo-renaissancestijl terug te vinden, aangevuld met kenmerken als overstekende dakvlakken met daar tussen een sierspant, vaak voorzien van uitgesneden of uitgezaagde decoratieve randen.

Het paviljoensysteem zou van 1910 tot 1940 het dominante systeem zijn voor de vormgeving van kazerneplattegronden. Het kenmerkt zich door de scheiding van functies zoals legering, kantine, eetzaal, bureaus, wachtgebouw etc. in verschillende los van elkaar staande gebouwen, gegroepeerd als paviljoens rond een centraal exercitieterrein. Deze paviljoenbouw werd voor het eerst toegepast voor de Kromhoutkazerne uit 1910 in Utrecht. Paviljoenbouw is een manier om een kazerne in te richten en zegt niets over de toegepaste bouwstijl, die kon iedere stijl aannemen die de opdrachtgever en architect wensten.

Was er al een vorm van standaardisatie met de introductie van de lineaire kazerne, met de bouw van de eerste kazernes volgens het paviljoensysteem werd min of meer ook een standaard legeringsgebouw geïntroduceerd. Kazernes die in de periode vlak na de bouw van de Kromhout verrezen, zoals de Frederik Hendrikkazerne in Venlo en de Jan van Nassaukazerne in Harderwijk, kennen qua opzet en uiterlijk sterk gelijkende legeringsgebouwen. Deze hebben meerdere bouwlagen met een langskap in het middendeel, en dwarskappen op de uiteinden.
Voor soldaten verbeterden de legeringomstandigheden met de bouw van deze nieuwe kazernes, hoewel niet alle verbeteringen gelijktijdig ingevoerd werden. Tegen zijn zin moest de voor de bouw van de Kromhoutkazerne verantwoordelijke genist instemmen met gasverlichting, terwijl hij elektrische verlichting en centrale verwarming had willen hebben vanwege gezondheidsredenen. De elektrische verlichting werd op de Kromhout in 1917 gerealiseerd, de centrale verwarming zou nog even duren. Die was wel aanwezig op de in 1913 opgeleverde Jan van Nassaukazerne in Harderwijk. Ten bate van dit soort voorzieningen verrezen op de kazernes ketelhuizen met hun karakteristiek schoorstenen.

De bouwstijl van de eerste kazernes volgens het paviljoensysteem heeft nog de kenmerken van de neo-renaissancestijl, hoewel vaak versoberd. Soms waren maar enkele gebouwen op een kazerne in deze stijl uitgevoerd. De overige gebouwen zijn qua stijl vaak moeilijk te duiden. Opvallend bij de tijdens de 1e Wereldoorlog gebouwde Isabellakazerne is, dat de vorm van de legeringsgebouwen gelijk is aan die van hetzelfde gebouwtype elders, maar iedere versiering verdwenen is. Deze uitgeklede stijl kan als overgangsarchitectuur beschreven worden. Dit is een term die bij gebrek aan beter gebruikt wordt. De term overgangsarchitectuur wordt wel gebruikt voor veel bouwwerken die kort na het begin van de twintigste eeuw zijn ontstaan en die een overgang vormen van de neostijlen naar een meer moderne, niet of nauwelijks aan historische stijlelementen gebonden architectuur. Het gaat om ontwerpen die invloeden van Jugendstil, chaletstijl en Berlagiaanse architectuur vertonen, zonder tot één van die stromingen gerekend te kunnen worden.

Vergeleken met de uitilitaire eind 20e eeuwse kazernebouw, zijn de kazernes uit de hier beschreven periode rijk van vormgeving. Echter niet alle kazernegebouwen kregen dezelfde aandacht van de ontwerper. Gebouwen als magazijnen en stallen zijn minder representatief dan het kazernehoofdgebouw of wachtgebouw, en werden dan ook soberder uitgevoerd.